Cor en Gerrit, Mei 1935


Cor, 1928


Gerrit, 1928


Cor en Gerrit, Overschie, 1934


courtesy Het Land van Strijen





Fragment

Op hun trouwfoto heeft Cor haar arm om Gerrits elleboog gehaakt en houdt ze de bloemen in haar linkerhand. Een varentakje tooit haar haar, en haar jurk, die ooit in stukken zal worden geknipt en vermaakt tot doopjurken voor haar baby's, valt in sierlijke plooien om haar heen, met extra lelietjes-van-dalen vastgespeld aan de rand van de sleep. Gerrit staat naast haar, slank in het nieuwe zwarte pak dat hij nog jarenlang elke zondag zal dragen, om een kostbare aankoop optimaal te benutten. Hij voelt zich trots nu hij zo netjes gekleed is, en niet zijn corduroy broek draagt waar de knieën in staan van ouderdom, zijn vale jasje, zijn klompen en de pet die de zon uit zijn ogen moet houden. Het portret laat zijn golvende, uit het gezicht gekamde haar zien en de twee kuiven die boven zijn hoge voorhoofd uitsteken. Een enkele bloem zit op zijn revers gespeld. Er is al een schim van hun latere zelf zichtbaar: Gerrits enthousiasme spreekt uit zijn opgetrokken wenkbrauwen en de kuiltjes in zijn kin, uit zijn gespitste grote oren; Cor lijkt al op haar hoede te zijn en plannen te maken voor de toekomst. Ze klemt haar vierkante kaken op elkaar en haar lippen vormen een dunne rechte lijn, alsof ze weet dat geluk iets kostbaars is.

Gerrit betaalde een jongen uit Overschie met sla om Cors bezittingen op de schuit van zijn familie naar Leidschendam te verhuizen, en terwijl de boot voortdobberde over de Schie, reisde Cor met haar kersverse echtgenoot per trein en liet met gemengde gevoelens haar ouderlijk huis achter zich. De Posts waren een hechte familie; de gezinsleden waren erg aan elkaar verknocht en het kostte haar moeite om zich daarvan los te maken, ook al snakte ze naar zelfstandigheid. In Leidschendam zou ze Gerrits familie hebben – zijn broer Nico in Voorburg en zijn zus Mar in Rijswijk; hun drie dorpen lagen achter elkaar in de periferie van Den Haag – maar het was een schamel substituut voor die van haarzelf, en Cors heimwee, aangezet door het tjoeken van de trein, nam toe naarmate de afstand groter werd. Ze keek naar Gerrit, en enigszins schuldbewust herinnerde ze zich de woorden van haar vader tegen haar moeder toen ze dachten dat ze niet luisterde: dat Gerrit een beste man was, maar dat de Den Hartogs eenvoudige mensen waren en dat ze het beter kon krijgen. Cor hief haar hand op naar Gerrits gezicht en herinnerde zichzelf eraan dat haar ouders Truus' Jacques net zo 'onwaardig' hadden geacht – hij boogde op adellijke wortels, maar zijn directe afkomst was net zo eenvoudig als die van hen. Ze zag hoe gelukkig Gerrit naast haar zat en voelde een golf van liefde. Hij was een goed mens.

In Leidschendam stapte ze uit, net voor haar echtgenoot. Een koele wind speelde om haar heen, met de geur van lentebloesems, maar dat ontging Cor tot Gerrit haar erop attendeerde. Zij had een andere band met de natuur dan hij, hoewel ze zich bewust was van het ordelijke patroon van het land en dat elke streek afhankelijk was van de andere: vee in de noordelijke provincie Friesland, graan in het verre noordoosten, vis uit de vele rivieren en de Noordzee. En hoe de lage landen werden doorkruist door kanalen en vaarten in een duizelig makend patroon, die deel uitmaakten van een ingewikkeld systeem dat Nederland ervoor moest behoeden door de zee verzwolgen te worden.

Van het station liepen ze langs de drukke Vlietweg, die het verkeer van Leischendam naar Voorburg en verder sluisde. Aan de ene kant kletterden paard-en-wagens over de keien en er kwam een veewagen voorbij, met loeiende koeien die tussen de latten van de houten schotten door gluurden. Aan de andere kant lag het brede kanaal, waarover schuiten vol landbouwproducten naar de veiling werden geboomd. Cor keek hoe ze voorbijvoeren terwijl ze naast Gerrit voortstapte. Het waren dezelfde boten als die waarmee zijn groenten werden vervoerd, en dus hoorden ze bij haar nieuwe wereld, maar ook bij haar oude, want haar spullen kwamen met eenzelfde vaartuig. Een klein stukje verderop, achter de bezwete pezige arbeiders aan boord, strekten zich groene grasvelden uit voor imposante herenhuizen, elk omgeven door een prachtig verzorgde tuin. Voortaan zou ze in een van de meest welvarende delen van het land wonen – dicht bij de bekakten, maar dat was een te lomp woord, dat Cor meteen uit haar gedachten bande toen het door haar heen schoot. Ze herinnerde zich het geplaag van Jacques dat ze hier wel op haar plaats zou zijn, naast de geleerden, de diplomaten en de adel, met haar keurige manieren en haar zorgvuldige woordkeus. Hij bedoelde het als een plaagstootje, dat wist ze wel, maar ze schaamde zich er niet voor dat ze netjes was. Gerrit en zij verlieten de Vliet, met zijn oever vol herenhuizen, en sloegen af naar de voornamelijk katholieke arbeiderswijk waar Gerrit woonde, met ordelijke rechte straten waarin de Vlietweg zich vertakte als de tanden van een kam. Cor was er al heel vaak geweest, maar vandaag zag ze alles met andere ogen, met een weemoed die ze niet had verwacht. Volgebouwd met eenvoudige stenen huizen van twee verdiepingen onderscheidde de wijk zich van het oude Leidschendam met zijn kronkelige straten. De huizen hier waren in 1935 zo goed als nieuw en misten de bekoring en de onmiskenbaar Hollandse zwier van de oudere architectuur: versierde kroonlijsten, gevelspitsen met diverse vormen, barok metselwerk. De vlakke, onopgesmukte voorgevels aan de Tedingerstraat waren zo goed als identiek; de kleur verf op de voordeur, de stof van de gordijnen voor de ramen en de planten in de vensterbank maakten het enige verschil. Ze kwamen voorbij de winkel met woonhuis van de melkboer op nummer 15, waar de melkbussen in een rij langs de pui stonden, en Gerrit knikte naar de winkelier met zijn witte jasje en pet die bezig was bestellingen die hij met zijn kar ging rondbrengen klaar te zetten. Aan de overkant was de slagerij met het koele marmeren interieur waar de karkassen aan stalen haken hingen. De zoete geur van tabak en cederhout zweefde door de open deur van de sigarenwinkel naar buiten en een witte poedel kefte naar hen toen ze langsliepen. Een man reed zijn draaiorgel over de klinkerstraat en stopte op de hoek om de hendel over te halen die ervoor zorgde dat er muziek uit het overdadig beschilderde apparaat stroomde.

Algauw stond Cor voor Tedingerstraat 61, het huis van haar schoonfamilie. Een laag hek vormde de afscheiding van het trottoir, en daarachter waren bloemen geplant door Gerrits moeder – nu voor haar moeder Den Hartog. Ze zag dat de vrouw het gordijn opzijschoof en en naar hen gluurde; Moeder en Vader waren met een trein eerder van de bruiloft gekomen om de komst van de pasgehuwden voor te bereiden. Cor wendde haar blik af, voorgevend dat ze haar niet had gezien, en keek in plaats daarvan naar de tuin, waar volop bloemen bloeiden. Cor had geen oog voor de verscheidenheid ervan. Toen ze bij de ingang kwam, richtte haar blik zich op de ramen van de bovenverdieping – grote, rechthoekige ruiten die veel licht zouden binnenlaten – maar ze was al weer bezig met de gedachte hoe ze daar haar hele leven zou kunnen slijten. Net op dat moment werd de deur van binnenuit opengetrokken, en Gerrits vader spreidde zijn armen wijd uit om haar te omhelzen.

'Welkom!' zei hij, terwijl hij haar op beide wangen kuste, en ze rook het fruitige aroma van zijn pijptabak. 'Hebben jullie een goede reis gehad?' vroeg Moeder toen ze door de deur kwamen, maar haar woorden leken tot een onzichtbaar iemand te zijn gericht, en Cor liet Gerrit antwoorden.

Zijn moeder liep bedrijvig heen en weer, bracht hun thee en koekjes, en Cor – onzeker of ze haar hulp moest aanbieden – wenste dat ze zich konden verontschuldigen en naar boven konden gaan. Maar haar schoonmoeder kakelde maar door, en niet voor het eerst merkte Cor haar streekdialect op. Gerrits vader sprak ook Alblasserwaards, maar het klonk Cor minder opvallend in de oren, en hij gebruikte nooit woorden als allez en enfin zoals zijn vrouw. Ze noemde Gerrit 'Guurt', waarbij ze de u-klank rekte, en hoewel Cor de uitspraak zou gaan imiteren – destijds een teken van genegenheid – leek het op dat moment, op een dag die toch al in het teken van vreemdsoortige gebeurtenissen stond, een extra eigenaardigheid.

Een troostrijke aanblik bood het portret van koningin Wilhelmina aan de muur, met haar hermelijnen mantel om haar schouders en met een gelukkige blik in haar ogen, die iets te dicht bij elkaar stonden. Goede christenen vereerden het koninklijk huis van de Oranjes, aangezien ze geloofden dat het recht om te regeren van God gegeven was, en dus hing hetzelfde portret in de huiskamer van de Posts aan een overigens spaarzaam gedecoreerde muur. Hier waren mooiere dingen dan thuis, hoewel de familie armer was: moeder Den Hartogs Delfts blauwe porselein sierde de schoorsteenmantel en de ogen van pauwenveren keken vanuit een tere blauwglazen vaas de kamer in. De veren verrasten Cor altijd, omdat ze Gerrits moeder voor bijgelovig hield en ze wist dat veren binnenshuis geacht werden ongeluk te brengen. Cor hechtte weinig geloof aan zaken die niets met de Bijbel te maken hadden. Zelfs al hing er een aura van ongeluk om de vaas, al manifesteerde die zich in een blauw schijnsel dat de veren uitstraalden, dan nog zou Cor er geen aandacht aan schenken, net zomin als aan onweer. Zojuist was het begonnen te rommelen boven Leidschendam, en moeder Den Hartog snelde door het huis om alle ramen te sluiten. 'De toorn van God!' riep ze uit, terwijl ze met onrustig heen en weer schietende ogen naar de regen keek die van de straat opspatte. Cor wist dat het daar niets mee te maken had, hoewel ze net zo gelovig was.

Later, toen ze haar koffer uitpakte, stuitte ze op twee foto's die Truus tussen haar spullen had gestopt – op de ene keek Cor door de deur van de boekwinkel naar buiten, en op de andere stond ze binnen, met achter haar de boeken op hun planken. De komende jaren zouden haar gelaatstrekken op de foto's vervagen terwijl de boeken en de ingang van de winkel hetzelfde bleven. Maar zelfs op dit moment, nu de foto's nog gloednieuw waren, leken ze plotseling aandenkens. Een van Cors favoriete nichtjes – ook een Cornelia – woonde in Schiedam, dicht bij Overschie, en zou 's zaterdags haar plaats in de boekwinkel innemen, terwijl Cors taken hier zouden beginnen. Vanaf dit moment zou ze in deze kamer wakker worden. Hier zou ze haar kinderen baren en in een niet al te verre toekomst met man en kroost groene en rode zoeklichten aan de hemel zien verschijnen.

Die nacht lag Cor in bed de vormen van haar nieuwe omgeving te observeren in het maanlicht. Ze dacht aan Gerrits ouders beneden, slapend in hun lits-jumeaux, met ingelijste foto's van de vorige moeder en vader Den Hartog aan de muur boven hun hoofd. De foto's, zo wist ze, dienden ter herinnering aan het belang van traditie en plicht, maar Cor was niet van plan die gewoonte na te volgen en de portretten van Rochus en Arigje in haar slaapkamer op te hangen. Niettemin begreep ze, terwijl ze naar de regelmatige ademhaling van haar echtgenoot luisterde, dat ze deel uit zou gaan maken van het wandtapijt van deze familie, en dat Gerrit en zij het verder zouden weven.

Toen ze uiteindelijk insliep, droomde ze van het straatleven in een plaats die tegelijk Overschie en Leidschendam leek te zijn – de melkboer fietste voorbij in zijn korte witte jasje, net als de visverkoper, de sigarenhandelaar en de schillenman, die aardappelschillen en oud brood verzamelde om aan de boeren te verkopen. Ieder van hen had zijn speciale kreet, maar de vrolijkste was die van de bloemenverkoper, die 'Bloemeninallekleurèèè!' riep, woorden die, in weer en wind gezongen, nog nagalmden wanneer hij al verdwenen was. Er was zoveel wind in dit op het water gewonnen vlakke land dat Cor droomde dat die over de tuin van haar man raasde, alle zaden oppikte die ze net hadden geplant en ze vruchteloos in zee strooide.

Midden in deze onrustige slaap – na twee, drie uur? – riep moeder Den Hartog naar boven met een luid 'Guurrrrrrrrt!' en klopte op de muur. Cor werd wakker in het donker, zich afvragend waar ze was en waarom. Ze zag Gerrit naast haar zijn ogen opendoen, en net toen ze zich naar hem toe boog om hem een kus te geven begon het kloppen weer, samen met een luider 'Guurrrrrrrt!'. Cor werd nijdig, en wist dat ze haar bazige schoonmoeder, al was het zonder woorden, duidelijk moest maken dat het niet zo was dat zij zich een vierde kind had verworven maar dat Gerrit een competente vrouw had gekozen. Ze porde Gerrit het bed uit en trok de lakens rimpelloos glad. Het was vier uur 's nachts; de werkdag was begonnen.


 

footer


Over de auteurs - Contact - English site

The content of this site is protected by copyright.
Images must not be reproduced without permission from the copyright owner.





site design by Kelly Payne